L1 naar het huis van Alijn

Het eerste leerjaar trok op 7 februari naar het huis van Alijn, hier leest u hun indrukken.

De verschillende kamers:

Michiel:Telkens als we een goed antwoord gaven, kregen we iets lekkers om te proeven: viooltjes, muilentrekkers, speculoos, peperkoek, marsepein. Mijn buikje was vol!

Emile: Er was een snoepwinkel waar je vroeger koekjes en snoepjes kon gaan kopen.

Lisa: Er was ook een babykamer. Daar hing het doopkleedje van de baby omhoog.

Norah: Er was een prachtige feestzaal. In het midden van de kamer stond er een grote, lekkere huwelijkstaart. Je zag de trouwkledij ook op de paspoppen hangen.

Ruth: Bij de kruidenier kan je terecht voor koffie, mosterd, kaneel, suiker,bloem, zout, …

Ayca:In de balzaal stonden er prachtige kostuums, juwelen en schoenen.

Anna L: Er hingen oude, roeste fietsen met grote wielen omhoog aan een haak.

Briek:In de balzaal rook het naar eau de cologne. Mijn oma gebruikt dit parfum ook nog.

Senne: Er was ook een klasje in het museum aanwezig. In de klas stonden houten banken en een bord met een telraam eronder.

Lola: Als je stout was in de klas moest je met je knieën in de houten klompen rechtop gaan zitten als straf. We mochten dit eens uitproberen, dat deed veel pijn.

Arend: Er was een apotheek. In de apotheek stonden allerlei flesjes. In de flesjes zaten speciale drankjes en kruiden om de mensen te genezen.

Lente: In de apotheek mochten we mosterdzaadjes proeven. Daarvan wordt mosterd gemaakt.

Maxine: Op het einde van het bezoek kregen we een sticker mee naar huis.

Enkele leuke weetjes:

Hafsa: Als de ouders gingen werken, moesten de grootouders op de baby passen.

Sien:We mochten een koptelefoon opzetten. Daarin hoorden we mensen dialect praten.

Alice: De baby’s moesten in een potje plassen dat onder de stoel hing.

Mare: Als we naar buiten gingen (op de koer), moesten we een soldatenoefening doen. Om het warm te krijgen,  moesten we onze armen kruisen en op onze rug slaan.

Esteban:Als een jongen verliefd was op een meisje, gaf hij haar een stukje marsepein.

Loïk: Ik vond de paarse vioolsnoepjes niet zo lekker.

Victor:Op een huwelijk werd er met rijst gegooid, zodat het koppel veel geluk zou hebben.

Lise: Ook de poppen van Pierke Pierlala gingen in het museum omhoog.

Mathis:We zagen filmpjes hoe de kinderen vroeger Sinterklaas vierden.

Anna C:We gingen op ontdekkingstocht doorheen het museum. We kregen daarbij de hulp van een goede gids.

Lillemor:    Als laatste hebben we nog een bezoek aan het kapsalon gebracht.

Achile: In de fotokamer hingen er foto’s van de Belgische kust. Vroeger bestonden er nog geen vliegtuigen om ver mee op reis te gaan.

Lou:Ik was hier al eens geweest.

Juf Jessie: Daar was de bus al terug. Het was tijd om terug naar school te keren.

Wie kent het verschil tussen de Sint en de Kerstman?

Wie kent er verschillen tussen de Sint en de Kerstman?
Met deze vraag ging het eerste leerjaar in een praatronde aan de slag…
Anna C.: De Kerstman ziet graag een kerstboom staan. De Sint heeft graag dat we onze schoen zetten met een wortel voor het paard, een pintje voor de pieten en een beetje water voor wie wil.
Loïk:    De Kerstman heeft een kerstmuts. De Sint heeft een mijter en een staf.
Mathis:    We krijgen meer cadeautjes van de Sint. En de Sint heeft een kasteel.
Victor:    De Sint verdeelt enkel cadeautjes in België en de Kerstman verdeeld de cadeautjes in de andere landen.
Lou:    De Sint draagt een kleed en de Kersman rode kleren en een cape met een witte pelsen rand.
Lillemor: De kerstman heeft elfjes die hem helpen en de Sint heeft pieten.
Achile:    De Sint heeft vele hulpsinten en de Kerstman verdeelt de cadeautjes over de winkels en laat zich helpen door de ouders.
Lise:    Een paard heeft geen gewei en rendieren wel.
Sien:    De Kerstman steekt de cadeautjes in sokken. De Sint gooit de cadeautjes door de schoorsteen, of hij gebruikt zijn magische sleutel.
Alice:    De Kerstman draagt laarzen om door de diepsneeuw te stappen. De pieten hebben antislipschoenen om over de daken te lopen.
Esteban: Tijdens de kerstperiode zijn er veel lichtversieringen en slingers. De Sint brengt snoepgoed.
Mare:   Zwarte pieten zijn bruin en elfjes zijn in huidskleur. En er is heel veel sneeuw als de Kerstman komt.
Hafsa:  Rudolph heeft een rode neus.
Emile:  Voor de Sint zingen we liedjes, voor de Kerstman zetten we een kerstboom.
Lola:   De Sint heeft een paard, de Kersman een slee met rendieren.
Ruth:   De sint heeft een staf, de Kerstman niet.
Senne:  De Sint is groot, de Kerstman is klein en ook een beetje dik.
Briek:  Bij de Kerstman hangen we een sok, bij de Sint zetten we onze schoen.
Ayça:   Het paard van de Sint kan niet vliegen, de redieren van de Kerstman wel.
Lente:  We versieren ons huis voor als de Kerstman komt, bij de Sint doen we dat niet.
Lisa:   De Sint heeft een mijter, de Kerstman een Kerstmuts.
Maxine: De Sint draagt een cape, de Kerstman niet.
Norah:  De Kerstman komt in de winter, de Sint komt in de herfst.
Anna L.: De Sint heeft pieten, de Kerstman heeft engeltjes en elfjes.
Arend:  De Kerstman is veel sneller dan de Sint.

 

Ter info …

Een nieuw schooljaar komt eraan, om die reden werden alle teksten van vorig schooljaar verplaatst naar de map “archief” van de desbetreffende klas.
Klik op de klas van jouw keuze en kiest voor het archief van die klas.

Veel plezier !

Het webteam